In onze streken is de opkomst van het gedomesticeerde wilde schaap samengevallen met de geleidelijke ontbossing van wouden en de ontwikkeling van landbouw en veeteelt, dit gebeurde vanaf zo'n 3000 jaar voor Christus (de ontwikkeling van de landbouw en veeteelt zijn zo’n 6.000 jaar voor onze jaartelling begonnen in het Midden-Oosten). Gedurende de laatste 2000 jaar zijn er schapen vanuit het Midden-Oosten, die werden geselecteerd voor hun wol, vlees of melk, geleidelijk ingevoerd in de Europese schaapskuddes. Deze kruising wordt de “mérinisatie” genoemd omdat het Merino schaap hierbij een zeer belangrijke rol heeft gespeeld. De schaapskudden van de Scandinavische volkeren hebben als laatste de "mérinisatie” ondergaan.
Vanwege de afgelegen ligging en de moeilijke toegang tot het eiland Soay, is een kern van gedomesticeerde wilde schapen gedurende honderden zelfs duizenden jaren onveranderd gebleven. Deze primitieve schapen lijken vandaag nog steeds op hun voorouders zoals die bestonden 3000 jaar geleden, omdat er al die tijd geen kruisingen zijn geweest met meer moderne rassen.
De Soay is een gedomesticeerd wild schaap dat van al zijn soortgenoten het meest verwant is met de Mouflon.
Onderzoekers hebben de evolutie van het Soay schapenras kunnen volgen aan de hand van zijn skelet en zijn vacht. Dankzij archeologische vondsten in oude moerassen hebben ze kunnen achterhalen dat deze primitieve schapen het nauwst verwant zijn met de mouflon en de oudst gedomesticeerde wilde schapen in Europa. Er werd onderzoek gedaan op restanten van schaapshuid en textiel die werden teruggevonden in graven die dateren uit de bronstijd (3000-4000 v. Chr.) Hierdoor heeft men een beter inzicht gekregen over bvb. de samenstelling en diameter van het wolhaar uit deze prehistorische periode, de kleur van de vacht ... enz, allemaal kenmerken die werden overgeërfd van hun in het wild levende voorouders.
Zelfs vandaag de dag vinden we onder de Soay schapen dieren met een uitgesproken harige vacht met wollige onderlaag en vice versa. Deze vachtharen zijn het best waarneembaar bij sommige rammen die beschikken over sterk ontwikkelde manen en grijze vlekken op de zijkant van hun flank zoals we die vandaag nog steeds kunnen terugvinden bij de mouflon.
De Soay schapen op Hirta:
Hun aanwezigheid op de archipel kan verklaard worden door een van de volgende drie hypothesen.
- Deze schapen zouden op natuurlijke wijze de verre Hebriden hebben bereikt op het einde van de ijstijd.
- of ze werden er naar toe gebracht door de eerste bewoners van deze eilanden,
- of ze werden achtergelaten door de Vikingen als voedselopslag tijdens hun invasies.
De laatste twee hypothesen zijn op dit ogenblik het meest waarschijnlijk rekening gehouden met de resultaten van archeologische opgravingen op de archipel.
De geschiedenis van de laatste bewoners van deze eilanden vertelt ons wat er is gebeurd sinds het begin van de 18e eeuw:
In 1727 vielen er onder de eilandbewoners veel slachtoffers door de pokken, slechts een dertigtal eilanders wisten te overleven. Hun aantal steeg terug tot 100 in 1856 en bleef van dan af nagenoeg constant. In 1928 emigreerde 36 mensen naar Australië en bleef er slechts een groep van 40 eilandbewoners over. Op hun vraag werden ze in 1930 samen met hun huisdieren geëvacueerd naar het Schotse vasteland.
In 1932, kocht de markies van Bute de archipel. Gepassioneerd als hij was door de natuur, zorgde hij ervoor dat geen enkel huisdier achterbleef op deze eilanden. Hij bracht 107 Soay schapen over van het eiland Soay naar het grotere naburige eiland Hirta, liet ze kweken en maakte de eilandengroep tot een beschermd natuurgebied. In 1957 schonk hij de archipel aan de National Trust of Scotland.
Bron: Le mouton de l'île Soay
